zweeds

blad-
groente
reiger-
achtige
vogel
handvat
kerklied
stop!
vervelend
mens
werktuig
roofzuch-
tige vis
hoewel
akkoord
stoom-
schip
(afk.)
zootje
wind-
richting
guitig
en
anderen
deur-
raampje
voorbij
beledigd
café-
bediende
geluid
maken
v.e. ezel
leerling
spijskaart
gezel-
schaps-
spel
muurholte
goochel-
nummer
familielid
riv. in
Siberië
muziek-
noot
smachten
eveneens
zenuw-
trekje
nauw
opschik
toestand